Pede's Molen

Hundelgem (Zwalm)

Historische aantekeningen (deel 1)

Na de vaststelling dat de molen is verbouwd in 1775 (zie vorig hoofdstuk), centreren we ons historisch onderzoek op de eeuwen die aan deze datum zijn vooraf gegaan.

Geschreven bronnen

In de Penningkohieren, en meer bepaald in de Twintigste Penningkohieren van 1571 en 1572, is geen vermelding terug te vinden van deze watermolen. De Penningkohieren waren fiscale registers, opgesteld onder het beheer van de hertog van Alva tijdens de Spaanse bezetting van dit deel van België. Ze werden gecreëerd om belastingen te heffen op alle onroerende goederen. De term "penning" duidt op de oorspronkelijke gewichtseenheid voor het wegen van edele metalen, bijgevolg dus ook een muntstuk. De term "kohier" is afgeleid van het Franse "cahier".

De watermolen is niet opgenomen in de beschrijving van Jozef De Brouwer van de molens van het Land van Aalst. Deze beschrijving dateert van 1575, waaruit we kunnen afleiden dat de huidige Pede's Molen na die datum is gebouwd.

Beide registers behoren tot de beste bronnen van onroerend goed uit de 16e eeuw.

Kaarten uit de 17e eeuw

Naast de geschreven bronnen hebben we ook een aantal kaarten geraadpleegd, waarvan sommige zeer gedetailleerd zijn. Een aantal van de kaarten uit de periode die ons interesseert werden ingegeven door militaire en strategische overwegingen. Zo werden belangrijke verbindingswegen, waterlopen en gebouwen (al dan niet met een economische waarde) er op weergegeven.

Andere kaarten werden in het leven geroepen uit economische overwegingen. Er was namelijk al vrij vroeg in de geschiedenis een strikte wetgeving op het onderhoud van de wegen. De economie in Vlaanderen was vooral aangewezen op handel, zowel plaatselijk als met het buitenland. Dagelijks werden grote hoeveelheden goederen vervoerd en verhandeld. Hiervoor was een goed onderhouden wegennet primordiaal en dus ook kaarten die de wegen nauwkeurig weergaven.

De "Kaart van het Land van Aalst" van Jacques Horenbout dateert uit 1612. De kaart geeft verschillende wind- en watermolens uit de streek weer, maar van de huidige Pede's Molen is geen vermelding te vinden.

Kaart van Jacques Horenbout
Illustratie n° 2-1: De Kaart van het Land van Aalst van Jacques Horenbout (1612). De locatie van de watermolen zou net in het midden van de illustratie komen te liggen, iets ten zuiden van de kerk van Hundelgem.

Jacques (Jacob) Horenbout was werkzaam in Gent in het eerste kwart van de 17de eeuw. Hij werkte als illustrator, landmeter en schilder van de stad Gent.

J. Leclerc was eveneens landmeter in Gent en maakte in 1784 een kopie van de Kaart van het Land van Aalst, naar een verdwenen origineel van Jacques Horenbout, maar moderniseerde het oorspronkelijke werk enigzins. Ook hier is de huidige Pede's Molen niet terug te vinden.

Kaart van J. Leclerc
Illustratie n° 2-2: De Kaart van het Land van Aalst van J. Leclerc (1784), een kopie van de kaart van Jacques Horenbout uit 1612. De locatie van de huidige Pede's Molen zou net in het midden komen te liggen. Het woord "Waetermolen" komt overeen met de molen "Ten Bergen" (de huidige "Zwalmmolen"). Watermolens worden bijna steeds aangeduid met het symbool van een waterrad. Het symbool kan men zien onderaan links op de illustratie, net boven het woord "Berghe".

Octrooi en molenplakkaat

De eerste vermelding van onze watermolen vinden we terug in de octrooien die bewaard worden in het Rijksarchief van Gent. Dit document bevestigt de oprichtingsdatum in 1664, ruim een eeuw vóór de verbouwing en uitbreiding van 1775.

Octrooi
Foto n° 2-1: Octrooi uit 1664. Rijksarchief Gent. Vorstelijke Domeinen van Oost-Vlaanderen, nr. 134. Vermelding op de rug: Recette de la watergravie - serrant de livres & revenus pour les titres originaux - Gestion du baron de Lovendeghem. © Rijksarchief Gent. Foto © Lieven Denewet

Omgezet naar hedendaags Nederlands luidt de tekst als volgt (de originele tekst vindt u in de nota):

"Op 16 oktober 1664 kreeg Jan Van Lierde (zoon van Jan) het octrooi van Jacques de Bernaige, Licentiaat in de Rechten, Watergraaf en Moermeester van Vlaanderen, om binnen de parochie van Hundelgem een watermolen op te richten om daarmee alle soorten van granen te malen, zowel voor de inwoners van Hundelgem als voor de omliggende plaatsen. De jaarlijkse cijns bedraagt 1 hoet tarwe (volgens de maat van Aalst)."

1 hoet tarwe komt overeen met ongeveer 166 liter.

Bron: Rijksarchief Gent. Met oprechte dank aan de heer Lieven Denewet voor de vondst.

Sinds het bewind van Keizer Karel V (° Gent, 1500 - † Cuacos de Yuste (Spanje), 1558) was het verboden een molen te bouwen zonder voorafgaande officiële toestemming, een gebruik dat zou voortduren tot aan de Franse revolutie. Een octrooi voor het bouwen van een water-, wind- of rosmolen is vergelijkbaar met een bouwvergunning en daarmee werd aan de molenaar tevens een maalrecht toegekend. In de praktijk had dit echter vooral tot doel jaarlijkse inkomsten te bezorgen aan de plaatselijke overheid die het octrooi verleende.

Tijdens het beheer van Keizer Karel V ontstond in 1547 het molenplakkaat, dat het vrij oprichten van een molen aan banden legde:

"Placcaert verbiedende te erigeren enige Windt- Water ofte Rosmeulens zonder Octroy van de Majesteyt, ofte titel van Vrye Maelderye".

Plakkaten waren sedert de feodale tijd het middel waarmee wettelijke bepalingen aan de bevolking werden meegedeeld. Zowel de plaatselijke, provinciale als nationale overheden maakten er gebruik van. Vanaf de zestiende eeuw tot het begin van de negentiende eeuw werden ze in twee vormen gepubliceerd: als plano (een eenzijdig bedrukt vel), bedoeld om aan het stadhuis en andere passende plaatsen te worden opgehangen ter informatie van de bevolking, en in de vorm van boekjes (meestal dunne kwarto's), bedoeld ter inzage van de overheidsdienaren en bestemd voor hun boekenkasten en bureauladen.

Het molenplakkaat van 1547 werd een tweede maal bekend gemaakt op 21 juli 1628 onder het bewind van Filips IV, 36 jaar vóór de oprichting van onze watermolen.

Bij het bouwen van een nieuwe molen werd vaak verzet aangetekend door andere molenaars, die een directe concurrentie uiteraard niet welkom heetten. Dikwijls echter haalde het protest niets uit, want de bevoegde overheid die daarover moest beslissen had er alle baat bij een nieuwe molen en dus ook nieuwe directe inkomsten in het leven te roepen. De overheid was dus tegelijkertijd rechter en begunstigde.

Het volgende hoofdstuk in een oogopslag:

Waarin we de eerste grafische voorstellingen van de molen en het molenaarshuis vinden op kaarten van de 18e en 19e eeuw.