Pede's Molen

Hundelgem (Zwalm)

Historische aantekeningen (deel 1)

Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van de bedolah. Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid van de olie. - Tenach, Numeri (11, 7-8)

Na de vaststelling dat de molen is verbouwd in 1775 (zie vorig hoofdstuk), centreren we ons historisch onderzoek op de eeuwen die aan deze datum zijn vooraf gegaan.

Geschreven bronnen

In de Penningkohieren, en meer bepaald in de Twintigste Penningkohieren van 1571 en 1572, is geen vermelding terug te vinden van deze watermolen. De Penningkohieren waren fiscale registers, opgesteld door de administratie van de hertog van Alva tijdens de Spaanse bezetting van dit deel van België.

De hertog van Alva, Fernando Álvarez de Toledo y Pimentel (° Piedrahíta in de provincie Ávila (Spanje), 29 oktober 1507 - † Lisboa (Portugal), 11 december 1582), was generaal en landvoogd van de Nederlanden aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Zijn bewind leidde tot een verheviging van de opstand in de Habsburgse Nederlanden en uiteindelijk tot het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In de Nederlanden was hij bijgenaamd de IJzeren Hertog en in Spanje de Grote Hertog.

Om de Schatkist te spijzen, voerde hij in 1571 een bijkomende belasting in van 5% op onroerend goed en jaarwinsten uit de handel. De term “penning” duidt op de oorspronkelijke gewichtseenheid voor het wegen van edele metalen, bijgevolg dus ook een muntstuk. De term “kohier” is afgeleid van het Franse “cahier”.

De Kohieren werden in alle dorpen opgemaakt en leveren vandaag een schat aan gegevens over agrarische gebieden: een lijst van de toenmalige bewoners, de gezinshoofden, de landbouwers enzovoort. Alle inwoners dienden aangifte te doen van onroerend goed dat door de eigenaar zelf of in pand werd uitgebaat en ook van de renten die ze ontvingen. Plaatselijke wethouders gingen rond in het dorp en noteerden perceel na perceel alle onroerende goederen, waaronder uiteraard ook landbouwbedrijven en molens.

Een tweede belangrijke bron uit de tijd is de beschrijving van Jozef De Brouwer van de molens van het Land van Aalst, die dateert van 1575. Het Land van Aalst was een landstreek rond de stad Aalst en vormde van 1046 tot 1164 een graafschap. De naam van deze streek bleef nog lang in gebruik, zeker tijdens de periode van de oprichting van de molen.

De watermolen is niet opgenomen in de Penningkohieren noch in de molens van het Land van Aalst, waaruit we kunnen afleiden dat de huidige Pede's Molen na het jaar 1575 moet zijn gebouwd.

Beide registers behoren tot de beste bronnen van onroerend goed uit de 16e eeuw.

Kaarten uit de 17e eeuw

Naast de geschreven bronnen hebben we ook een aantal kaarten geraadpleegd, waarvan sommige zeer gedetailleerd zijn. Een aantal van de kaarten uit de periode die ons interesseert werden ingegeven door militaire en strategische overwegingen. Deze kaarten geven een beeld van de belangrijke verbindingswegen, waterlopen en gebouwen, vooral deze met een zekere economische waarde zoals een molen.

Andere kaarten werden in het leven geroepen uit economische overwegingen. Er was namelijk al vrij vroeg in de geschiedenis een strikte wetgeving op het onderhoud van de wegen. De economie in Vlaanderen was vooral aangewezen op handel, zowel plaatselijk als met het buitenland. Dagelijks werden grote hoeveelheden goederen vervoerd en verhandeld. Hiervoor was een goed onderhouden wegennet primordiaal en dus ook kaarten die de wegen nauwkeurig weergaven.

De “Kaart van het Land van Aalst” van Jacques Horenbout dateert uit 1612. De kaart geeft verschillende wind- en watermolens uit de streek weer, maar van de huidige Pede's Molen is geen vermelding te vinden.

De Kaart van het Land van Aalst van Jacques Horenbout (1612) (detail)
Illustratie n° 2-1: De Kaart van het Land van Aalst van Jacques Horenbout (1612) (detail). De locatie van de huidige Pede's Molen zou net in het midden van de illustratie komen te liggen, iets ten zuiden van de kerk van Hundelgem.

Jacques (Jacob) Horenbout werkte in Gent in het eerste kwart van de 17e eeuw. Hij was illustrator, landmeter en schilder van de stad Gent.

J. Leclerc was eveneens landmeter in Gent en maakte in 1784 een kopie van de Kaart van het Land van Aalst, naar een verdwenen origineel van Jacques Horenbout, maar moderniseerde het oorspronkelijke werk enigszins. Ook hier is de Pede's Molen niet terug te vinden.

De Kaart van het Land van Aalst van J. Leclerc (1784), een kopie van de kaart van Jacques Horenbout uit 1612 (detail)
Illustratie n° 2-2: De Kaart van het Land van Aalst van J. Leclerc (1784), een kopie van de kaart van Jacques Horenbout uit 1612 (detail). De locatie van de Pede's Molen zou net in het midden komen te liggen. Het woord “Waetermolen” komt overeen met de molen “Ten Bergen” (de huidige “Zwalmmolen”). Watermolens worden bijna steeds aangeduid met het symbool van een waterrad. Het symbool kan men zien onderaan links op de illustratie, net boven het woord “Berghe”.

Octrooi

De eerste vermelding van onze watermolen vinden we terug in de octrooien die bewaard worden in het Rijksarchief van Gent. Dit document bevestigt de oprichtingsdatum in 1664, ruim een eeuw vóór de verbouwing en uitbreiding van 1775.

Octrooi uit 1664
Foto n° 2-1: Octrooi uit 1664. Rijksarchief Gent. Vorstelijke Domeinen van Oost-Vlaanderen, nummer 134. Vermelding op de rug: Recette de la watergravie - serrant de livres & revenus pour les titres originaux - Gestion du baron de Lovendeghem. © Rijksarchief Gent. Foto © Lieven Denewet

Omgezet naar hedendaags Nederlands luidt de tekst als volgt (de originele tekst vindt u in de nota):

“Op 16 oktober 1664 kreeg Jan Van Lierde (zoon van Jan) het octrooi van Jacques de Bernaige, Licentiaat in de Rechten, Watergraaf en Moermeester van Vlaanderen, om binnen de parochie van Hundelgem een watermolen op te richten om daarmee alle soorten van granen te malen, zowel voor de inwoners van Hundelgem als voor de omliggende plaatsen. De jaarlijkse cijns bedraagt 1 hoet tarwe.”

1 hoet tarwe (volgens de maat van Aalst, een plaatselijke volumemaat) komt overeen met ongeveer 166 liter.

Bron: Rijksarchief Gent. Met oprechte dank aan de heer Lieven Denewet voor de vondst van dit zeer waardevol document.

Er zijn een aantal elementen in het octrooi die wat nadere toenadering vragen. Bij het verlenen van een octrooi werden twee zaken beoogd. Enerzijds werd aan de molenaar toestemming gegeven om een molen te bouwen en anderzijds gold dit ook als een exploitatievergunning. Om teveel concurrentie tussen molenaars te vermijden, werd de bouw en exploitatie van molens gereglementeerd en werd uitgegaan van het aantal inwoners in een bepaald dorp, stad of regio.

De vermelding “om daarmee alle soorten van granen te malen, zowel voor de inwoners van Hundelgem als voor de omliggende plaatsen” staat in contrast met de vele banmolens die in vroegere eeuwen gebruikelijk waren. Een banmolen, ook wel dwangmolen genoemd, was een molen waar de naburige boeren verplicht waren hun granen te laten malen. Vaak waren deze molens eigendom van de plaatselijke heer of een andere hogere autoriteit, zoals een klooster of een abdij.

Het feodale banrecht is in West-Europa in de twaalfde eeuw ontstaan. Het doel van het banrecht was een deel, bijvoorbeeld een tiende, van het graan als belasting te kunnen innen. Dat kon gebeuren door het afhouden door de autoriteit van een tiende van het graan in natura, of eventueel tegen betaling in munten aan deze autoriteit van de waarde van het tiende deel van het graan.

De basis van deze feodale regelgeving berust op een aantal rechten die in de middeleeuwse samenleving gebruikelijk waren. Er waren vier verschillende rechten die van toepassing waren op het malen.

(1) Het molenrecht is het recht om een wind- of watermolen op te richten en uit te baten.

(2) Het stuwrecht is het recht om het water bij een watermolen tot op een bepaald peil op te stuwen en te gebruiken om het rad van de watermolen in beweging te brengen.

Het stuwrecht was in de feodaliteit een noodzakelijk accessorium van het molenrecht. Wie de toestemming kreeg om een watermolen op te richten, kreeg ook het recht om het water van een waterloop op te stuwen. Het stuwrecht wordt juridisch gekwalificeerd als een onherroepelijk genotsrecht op het water.

Watermolens, illustratie uit de Vieil Rentier d'Audenarde (detail)
Illustratie n° 2-3: Watermolens, illustratie uit de “Vieil Rentier” d'Audenarde (detail).

De Vieil Rentier was een cijnsboek dat in 1284 werd bijgehouden door de rentmeester van Heer Jan I van Pamele (Pamele is een deel van de stad Oudenaarde). Het bevat alle inkomsten uit de onroerende bezittingen van de Heer van Pamele, zoals de opbrengsten uit tol op bruggen, molens en grondbelastingen. Het document geeft een zeer goed beeld van de inkomsten van een 13e eeuwse landheer. Het cijnsboek van Jan I van Pamele is een uniek middeleeuws handschrift dat versierd was met opmerkelijke taferelen uit het dagelijks leven. Weinig boekhoudingen zijn zo schitterend geïllustreerd.

Het handschrift van 187 perkamenten bladen werd vermoedelijk aangevat in 1275 in opdracht van Jan I en afgewerkt in 1284 in opdracht van zijn zoon Arnold V. Vooral de regio Vlaamse Ardennen, waarin het dorp Maarkedal centraal is gelegen, en aansluitend de “Région des Collines” (= Heuvelland) in de provincie Henegouwen komen uitgebreid aan bod in deze geschriften. Inhoudelijk betreft het een opsomming van alle lenen die Heer Jan I bezat, de juiste ligging en grootte ervan, de namen van de leenhouders en de betaalde pachtsommen.

Wanneer een eigendomsrecht van een watermolen via een titel overgedragen werd, ging ook het stuwrecht over naar de nieuwe eigenaar. De molenaar die gedurende een periode van 30 jaar onafgebroken een watermolen in bezit had, werd door verkrijgende verjaring eigenaar van de watermolen en kreeg ook het stuwrecht toegewezen.

Watermolens in België die opgericht werden vóór 2 oktober 1765 zijn nog steeds in het bezit van het oude stuwrecht. Watermolens die opgericht werden in de dertigjarige periode die de annexatie bij Frankrijk voorafgaat (van 1735 tot 1765), moesten het bestaan van hun stuwrecht aantonen door een titel voor te leggen, bijvoorbeeld van een erfenis of een verkoop. De houders van een dergelijk stuwrecht hadden recht op een schadevergoeding wanneer de uitoefening van hun stuwrecht onmogelijk gemaakt of bemoeilijkt werd, ongeacht of dit recht betrekking had op een bevaarbare of een onbevaarbare waterloop.

(3) Het windrecht is het recht om van de wind gebruik te maken om de wieken van een windmolen in beweging te brengen.

(4) Het banrecht of de molendwang is het heerlijk recht dat de inwoners van een heerlijkheid verplicht om exclusief gebruik te maken van de molen van de heer, de zogenoemde banmolen. De inwoners die hun graan toch op een andere molen lieten malen, moesten een boete betalen. Het onrechtmatig gemalen graan werd bovendien in beslag genomen. Ook de uitvoer van graan dat niet op de banmolen gemalen werd kon verboden worden.

Het banrecht hield tevens een verbod in om binnen het rechtsgebied van de heer een concurrerende wind- of watermolen op te richten. De heer kon molens die in weerwil van zijn banrecht waren opgericht, laten afbreken. Daaruit volgt dat het voor de inwoners van een heerlijkheid in de praktijk nagenoeg onmogelijk was om zelf een molen op te richten en uit te baten.

Een voorbeeld van banmolens zien we op deze kaart van de stad Namen, in het zuidelijke deel van België. De twee molens in de stad, op de rivier De Samber, net voor die uitmondt in De Maas, staan er op aangeduid als Koningsmolens (“Moulins du Roy”). Daar dit de enige molens zijn in de nabijheid van het stadscentrum, kunnen we er uit afleiden dat het grootste deel van de granen op deze Koningsmolens werd gemalen. We geven u eerst een overzicht van de kaart in zijn geheel en daarna een detail waar we beide molens kunnen vinden. Het rode kader in de eerste illustratie geeft het deel van de kaart aan dat is uitvergroot als tweede illustratie.

Kaart van de Stad en Kasteel van Namen - “Plan de la Ville et Chasteau De Namur” (Hubert Jaillot, 1695)
Illustratie n° 2-4: Kaart van de Stad en Kasteel van Namen - “Plan de la Ville et Chasteau De Namur” (Hubert Jaillot, 1695). Gegraveerd op bevel van de Koning van Frankrijk, Louis XIV, kort na de inname van Namen door de Fransen in 1692. De kaart toont de fortificaties van Namen, met twee legenden, één voor de namen van de straten en poorten naar de stad, en de andere met de belangrijke militaire en niet-militaire structuren. Gezien de strategische positie aan de samenvloeiing van de rivieren Samber en Maas, was de Citadel van Namen de belangrijkste strategische vesting in de Spaanse Nederlanden, die in 1692 dus in handen viel van de Fransen.
Kaart van de Stad en Kasteel van Namen - “Plan de la Ville et Chasteau De Namur” (Hubert Jaillot, 1695) (detail)
Illustratie n° 2-5: Kaart van de Stad en Kasteel van Namen - “Plan de la Ville et Chasteau De Namur” (Hubert Jaillot, 1695) (detail). De twee molens bevinden zich in het centrum van het rode kader, aangeduid met de letter “O”, één aan de linkeroever en de andere aan de rechteroever.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen wettelijke en conventionele banrechten. Een banrecht dat door de heer opgelegd werd zonder inspraak van de inwoners van zijn rechtsgebied, werd een wettelijk banrecht genoemd. Een conventioneel banrecht ontleende zijn bestaansrecht aan het leencontract en was gebaseerd op een overeenkomst tussen de heer en de inwoners van de heerlijkheid. Na verloop van tijd kwam het conventioneel banrecht ook in de handen van niet-leenheren, corporaties en gemeenten terecht. Soms kon zelfs verkrijgende verjaring van een banrecht worden ingeroepen.

Twee ridders en vier arbeiders aan het graven. Illustratie uit de Vieil Rentier d'Audenarde (detail)
Illustratie n° 2-6: Twee ridders en vier arbeiders aan het graven. Illustratie uit de “Vieil Rentier” d'Audenarde (detail).

Wijnpersen, ovens, brouwerijen en zelfs sommige dieren waren regelmatig het voorwerp van een banrecht, maar het recht van banmolens werd veruit het meest toegepast. De heer had het vermogen om het banrecht ten opzichte van bepaalde personen af te schaffen. Soms werd deze vrijstelling een recht, onder meer bij onbruikbaarheid van de molen, bijvoorbeeld bij onveiligheid van de wegen naar de molen door een lokaal conflict. Op een bepaald moment hebben de steden Brugge en Veurne dergelijke vrijstellingen verleend. Op 3 maart 1791 deelde de Nationale Vergadering in een “Avis au Public” (dit is, een Openbare Kennisgeving) mee dat elke particulier voortaan het recht had op zijn gronden een wind- of watermolen op te richten.

Door de toepassing van het molenrecht, in combinatie met het banrecht, konden particulieren in de feodale samenleving enkel een molen oprichten in een gebied dat niet onderworpen was aan het banrecht en op voorwaarde dat ze een octrooi hadden verkregen dat hen de toestemming verleende de molen in kwestie op te richten. De landsheer en de plaatselijke heren stond meestal niet zelf in voor de uitbating van hun molens: deze werden beleend of voor een bepaalde duur in pacht gegeven aan een particulier, die voortaan als molenaar mocht optreden.

Het feodale systeem van banmolens werd geleidelijk aan afgebouwd. Algemeen wordt aangenomen dat omstreeks 1789, tijdens de Brabantse Omwenteling tegen het Oostenrijkse bewind, en enkele jaren later met de komst van de Franse tijd in de Nederlanden, het feodale systeem werd afgeschaft, waarbij het ook werd toegestaan om vrije molens op te richten. Bij de Pede's Molen zien we dat het van bij de oprichting in 1664 een vrije molen was.

Ook zien we dat deze watermolen van bij het begin dienst heeft gedaan als graanmolen en deze functie zeer waarschijnlijk gedurende zijn hele productieve leven heeft behouden. Dat was niet altijd het geval. Vele molens hebben in hun geschiedenis verschillende functies gehad, van graanmolen, oliemolen, krijtmolen etcetera. We komen in een ander deel van deze website nog terug op de verschillende mogelijke functies van een molen.

Elk nieuw octrooi moest openbaar bekend worden gemaakt en dat gebeurde in de vorige eeuwen op een plaats waar de lokale bevolking samenkwam: de kerk. Er waren drie voorgeschreven kerkgeboden, waarvan de afroeping gebeurde op zondag morgen na de kerkdienst, gedurende drie opeenvolgende zondagen. Daarna volgde een gunstig advies door de President en de Leden van de Rekenkamer, wat te vergelijken valt met ons hedendaagse Ministerie van Financiën.

De eigenaar van de molen, zijn erfgenamen of de personen die samen met de eigenaar de molen mee uitbaatten, moesten de jaarlijkse cijns betalen. De cijns was verschuldigd zolang de molen zou blijven malen. Indien de molen van eigenaar veranderde door verkoop of erfenis, dan moest de nieuwe eigenaar één keer dubbele cijns betalen, plus een som als registratierecht om de naam van de eigenaar te veranderen. De gewone jaarlijkse cijns ging in op de eerste dag dat de molen begon te malen. Een authentieke kopie van het octrooi moest aan de “Watergravie” worden bezorgd. De “Watergravie” was het ambt van de “Watergraaf”, een officier in middeleeuws Vlaanderen die verantwoordelijk was voor het toezicht houden op het gebruik van meren, rivieren en andere waterlopen, specifiek in verband met de bescherming van vissersrechten of met het het onderhoud en gebruik van kanalen, sluizen en bruggen.

Molenaar en windmolen in Edelare bij Oudenaarde. Illustratie uit de Vieil Rentier d'Audenarde (detail)
Illustratie n° 2-7: Molenaar en windmolen in Edelare bij Oudenaarde. Illustratie uit de “Vieil Rentier” d'Audenarde (detail).

Tot slot merken we ook nog het gebruik van plaatselijke maten en gewichten op bij de beschrijving “1 hoet tarwe (volgens de maat van Aalst)”. Plaatselijke maten zullen verder in deze website nog worden aangehaald.

Molenplakkaat

Sinds het bewind van Keizer Karel V (° Gent, 1500 - † Cuacos de Yuste (Spanje), 1558) was het verboden een molen te bouwen zonder voorafgaande officiële toestemming, een gebruik dat zou voortduren tot aan de Franse Revolutie. Een octrooi voor het bouwen van een water-, wind- of rosmolen is vergelijkbaar met een bouwvergunning en daarmee werd aan de molenaar tevens een maalrecht toegekend. In de praktijk had dit echter vooral tot doel jaarlijkse inkomsten te bezorgen aan de plaatselijke overheid die het octrooi verleende.

Tijdens het beheer van Keizer Karel V ontstond in 1547 het molenplakkaat, dat het vrij oprichten van een molen aan banden legde:

“Placcaert verbiedende te erigeren enige Windt- Water ofte Rosmeulens zonder Octroy van de Majesteyt, ofte titel van Vrye Maelderye”.

Plakkaten waren sedert de feodale tijd het middel waarmee wettelijke bepalingen aan de bevolking werden meegedeeld. Zowel de plaatselijke, provinciale als nationale overheden maakten er gebruik van. Vanaf de zestiende eeuw tot het begin van de negentiende eeuw werden ze in twee vormen gepubliceerd: als plano (een eenzijdig bedrukt vel), bedoeld om aan het stadhuis en andere passende plaatsen te worden opgehangen ter informatie van de bevolking, en in de vorm van boekjes (meestal dunne kwarto's), bedoeld ter inzage van de overheidsdienaren en bestemd voor hun boekenkasten en bureauladen.

Het molenplakkaat van 1547 werd een tweede maal bekend gemaakt op 21 juli 1628 onder het bewind van Filips IV, 36 jaar vóór de oprichting van onze watermolen.

Het feodale systeem beruste op het principe van afhankelijkheid van een plaatselijke heer. De vazal was iemand die persoonlijk verbonden was met een heer en hij kreeg, in ruil voor bepaalde diensten aan de heer, het effectieve bezit van een leengoed of domein. Het molenplakkaat stelde dat niemand van de vazallen of onderdanen een windmolen of watermolen mocht bezitten of oprichten zonder dat de Keizer hiervoor zijn toestemming had gegeven. Wie dat wel deed zonder toestemming, werd verplicht de molen opnieuw af te breken. Hij moest tevens een aanzienlijke boete betalen.

Bij het plannen van de bouw van een nieuwe molen werd vaak verzet aangetekend door andere molenaars, die een directe concurrentie uiteraard niet welkom heetten. Dikwijls echter haalde het protest niets uit, want de bevoegde overheid, die daarover de finale beslissing moest nemen, had er uiteraard alle baat bij een nieuwe molen en dus ook nieuwe directe inkomsten in het leven te roepen. De overheid was dus tegelijkertijd rechter en begunstigde.

Het volgende deel in een oogopslag:

Waarin we de eerste grafische voorstellingen van de molen en het molenaarshuis vinden op kaarten van de 18e en 19e eeuw.